In oktober 2025 nodigde prinses Astrid militaire generaals, de minister van Defensie, de regionale ministers van Economie en alle Belgische universiteitsrectoren uit voor een reis naar Californië. Het doel: Amerikaanse defensietechnologie integreren in de Belgische economie en krijgsmacht. De aanwezigheid van Defensie en ministers was logisch. Maar waarom werden de universiteitsrectoren uitgenodigd?
Hoewel vele rectoren de uitnodiging afwezen, waren uiteindelijk 7 van de 10 Belgische universiteiten vertegenwoordigd, en de afgevaardigden pakten trots selfies met de minister van Defensie – sommigen houden die geheim, anderen niet. De boodschap was duidelijk: de universiteit moet de militarisering van de samenleving ondersteunen.
Wereldwijde geopolitieke dreigingen worden door een ideologie van kracht is macht verergerd. Wij walgen van dit schoolpleinachtige gedrag, en toch wil België ons stoer maken op datzelfde schoolplein. De Arizona-regering hanteert een “whole-of-society“-aanpakvan nationale veiligheid. Elke laag van de samenleving wordt ingeschakeld: scholen voor rekrutering, bedrijven voor militaire productie. Universiteiten zijn geen losgezongen instituten – hun fundamenteel onderzoek, technologie en kennis zijn essentiële wapens voor de militaire industrie.
Universiteiten vallen onder gewestelijke bevoegdheid, maar de federale en regionale regeringen versterken elkaars beleid. Arizona richtte een fonds op om de militaire industrie te financieren, en zet in op het afstemmen van regionale onderzoek- en investeringsstrategieën voor defensietechnologie. Tegelijkertijd stimuleren de gewesten hun industrieën en hoger onderwijs richting defensie.
Wallonië loopt hierin voorop. Wallonie Entreprendre, eigenaar van FN Browning, investeert jaarlijks honderden miljoenen euro’s in de regionale militaire industrie. In 2024 werd met defensiebedrijven een onderzoeksleerstoel opgericht aan de Université de Liège. Vlaanderen wil met het Vlaams Defensieplan (VDP) die Waalse voorsprong inhalen: een miljard euro om de militaire industrie te versterken, met een expliciete rol voor universiteiten.
Centraal staat het concept dual-use: onderzoek met zowel civiele als militaire toepassingen. Tot nu toe werden projecten in deze categorie ontmoedigd vanwege het risico op misbruik door (bijvoordbeeld) Rusland of China. Helaas belemmert dit NAVO-landen om deze technologieën zelf te (mis)bruiken, bijvoorbeeld om een genocide te ondersteunen. Daarom wordt dit soort onderzoek nu juist aangemoedigd. De EU stelt het volledige Horizon-budget van 175 miljard euro open voor dual-use. Ook Belgische regeringen gebruiken dual-use om militair onderzoek in civiele context te verantwoorden. In de praktijk verdwijnen civiele toepassingen vaak naar de achtergrond, terwijl de publicatie- en exportbeperkingen open wetenschap ondermijnen. Zoals een voormalige NAVO-generaal het stelde: “dual-use werd verzonnen omdat niemand in defensie wilde investeren.” Een sjoemeltruc om openbaar geld voor defensiebedrijven te laten werken.
Maar ook puur militaire projecten worden gestimuleerd. Omzendbrief-Muyters, die Vlaanderen verbood offensief wapensonderzoek te financieren, werd ingetrokken. Fundamenteel onderzoek wordt wegbezuinigd, maar nieuw geld stroomt binnen via publiek-private samenwerkingen met defensiebedrijven. Die krijgen invloed op onderzoeksagenda’s en intellectuele eigendom, terwijl onderzoekers onder geheimhouding werken. Het regeerakkoord voorziet ook nauwere samenwerking tussen burgeruniversiteiten en de gemoderniseerde Koninklijke Militaire School.
Militair onderzoek wordt verkocht als een kans om crisisparaatheid, sociale veerkracht, veiligheid of economische ontwikkeling te bevorderen. Maar de Strategische Visie Defensie neemt geen blad voor de mond: “Het onderzoeks- en ontwikkelingsbeleid van Defensie is gericht op de ontwikkeling van nieuwe wapensystemen.” De bedoeling is wapenontwikkeling.
Bovendien komen er herschrijvingen van de “belemmerende” etische kaders die onderzoekers en kennis tegen de schending van mensenrechten beschermen. Aan meerdere universiteiten zijn aanpassingen al doorgevoerd om militaire samenwerkingen te versoepelen, aan andere zijn ze stiekem bezig. Vragen om transparantie worden nooit beantwoord. Waar weerstand ontstaat, worden bestaande procedures simpelweg omzeild, zoals partnerschappen met wapensproducenten aan te gaan zonder voorafgaande etische evaluatie, of door negatief etisch advies te negeren.
Ook het onderwijs wordt aangepast. Wallonië stimuleert de interesse van studenten in defensie en AI via inmenging in onderwijs. Medische faculteiten namen op vraag van Defensie aanpassingen voor “oorlogsgeneeskunde” op. Aan Howest Brugge werd een “Cyber Defence Factory” geopend die studenten rechtstreeks richting defensiecarrières leidt. WEWIS zet een impulsprogramma in gang om uiteindelijk opleidingen beter af te stemmen op de “arbeidsmarktrealiteit binnen de defensie-industrie” (vooral STEM, volgens het VDP).
De ingrepen zijn niet alleen materieel. Het VDP spreekt van een “mentaliteitswijziging”. Onderzoekers en docenten moeten internaliseren dat “open science” voor de nationale veiligheid moet worden opgeofferd. “Kennisveiligheidsloketten”, “Classified Information Systems”, “security officers” en militaire propagandalezingen (1, 2, 3) ondersteunen en normaliseren kennisafscherming en volgzaam militair onderzoek.
De militarisering van universiteiten is geen Belgisch fenomeen. In het Verenigd Koninkrijk wordt de lange geschiedenis van militaire samenwerking en rekrutering uitgebreid voortgezet. Duitsland pompt miljarden in het leger, terwijl Beieren een “Bundeswehr-Förderungsgesetz” invoert die universiteitsmedewerkers tot samenwerking met Defensie verplicht. Italiaanse en Franse universiteiten compenseren hun onderfinanciering via partnerschappen met de militaire industrie. Griekse universiteiten schrappen ethische regels om lucratieve samenwerkingen aan te gaan met defensiebedrijven en de NAVO. Overal zijn militaire samenwerkingen geplaagd door gebrek aan transparantie, etische tegenstrijdigheden en het negeren van kritiek. Door het bezuinigingsbeleid zijn universiteiten aangewezen op de enige resterende financieringsbronnen: de NAVO-norm van 5% en ReArm Europe.
De Europese strategie van “peace through credible deterrence” is onverenigbaar met echte, rechtvaardige vrede. Bewapening wordt als aggressie waargenomen, en besteedt geen aandacht aan de onderliggende oorzaken van een dreiging. Legers zijn enorme vervuilers, en bewapening verergert zowel de ecologische crisis als de politieke onrechtvaardigheden die daaruit voortvloeien. Economieën die afhankelijk zijn van een groeiende wapenproductie, moeten deze groei met wapensexport volhouden. De zwakke en ontransparente Europese regelgeving laat de omzeiling of negering van wapenembargos toe, en EU-wapens spelen regelmatig een rol bij mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden. Wapens garanderen geen veiligheid. Echte internationale veiligheid komt voort uit positieve vrede door economische, sociale en ecologische rechtvaardigheid, niet uit angst voor ons machtige imperium.
De universiteit moet kritisch, open, onafhankelijk, en toegankelijk onderzoek en onderwijs kunnen verstrekken om juist die rechtvaardigheid te ondersteunen. Een gemilitariseerde universiteit kan dat niet. Als “bastions van kritische vrijheid” zouden universiteiten hun eigen militarisering moeten bespreken, maar zonder transparantie is dat onmogelijk. Het is de plicht van elke onderzoeker en docent om de bijdrage aan rechtvaardigheid te verdedigen. Maar individueel verzet of ‘dienstweigering’ zal falen omdat militarisering een “whole-of-society”-probleem is. Alleen internationaal, intersectoraal en collectief georganiseerde actie voor positieve vrede kan voorkomen dat de technologie en kennis die wij produceren wapens worden.
Thies Gehrmann is vredesactivist en postdoctoraal onderzoeker bio-informatica aan de Universiteit Antwerpen. Hij schrijft in zijn eigen naam.

Laisser un commentaire